Grondwet

HOOFDSTUK I:GRONDRECHTEN

Artikel 12

1. Het binnentreden in een woning tegen de wil van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen.

2. Voor het binnentreden overeenkomstig het voorgaande lid is voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist. Aan de bewoner wordt een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt.















Europees Verdrag van de Rechten van de Mens

TITEL I. RECHTEN EN VRIJHEDEN

Art. 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.















Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten

DEEL III

Art. 17

1. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis (...)

2. Een ieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting.















Algemene wet op het binnentreden

§1 BINNENTREDEN IN WONINGEN IN HET ALGEMEEN

Art. 1

1. Degene die bij of krachtens de wet belast is met de opsporing van strafbare feiten of enig ander onderzoek, met de uitvoering van een wettelijk voorschrift of met het toezicht op de naleving daarvan, dan wel een bevoegdheid tot vrijheidsbeneming uitoefent, en uit dien hoofde in een woning binnentreedt, is verplicht zich voorafgaand te legitimeren en mededeling te doen van het doel van binnentreden. (...)

2. Indien de naleving van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen naar redelijke verwachtingen ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, feitelijk onmogelijk is dan wel naar redelijke verwachting de strafvordering schaadt ten aanzien van misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, gelden deze verplichtingen slechts voor zover de naleving daarvan in die omstandigheden kan worden gevergd.

4. De persoon, bedoeld in het eerste lid, die met toestemming van de bewoner wenst binnen te treden, vraagt voorafgaand aan het binnentreden diens toestemming. De toestemming moet blijken aan degene die wenst binnen te treden.















Algemene wet op het binnentreden

§2 BINNENTREDEN IN WONINGEN ZONDER TOESTEMMING VAN DE BEWONER

Art. 2

1. Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is een schriftelijke machtiging vereist, tenzij en voor zover bij wet aan rechters, rechterlijke colleges, leden van het openbaar ministerie, burgemeesters, gerechtsdeurwaarders en belastingdeurwaarders de bevoegdheid is toegekend tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. De machtiging wordt zo mogelijk getoond.

3. Een schriftelijke machtiging als bedoeld in het eerste lid is niet vereist, indien ter voorkoming van ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen terstond in de woning moet worden binnengetreden.















Algemene wet op het binnentreden

§2 BINNENTREDEN IN WONINGEN ZONDER TOESTEMMING VAN DE BEWONER

Art. 3

1. Bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden zijn:

a. de advocaat-generaal bij het gerechtshof;

b. de officier van justitie;

c. de hulpofficier van justitie.

2. Voor zover de wet niet anders bepaalt, is de burgemeester bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden in een woning gelegen binnen zijn gemeente voor andere doeleinden dan strafvordering.

3. Degene die bevoegd is een machtiging te geven, gaat daartoe slechts over, indien het doel waartoe wordt binnengetreden het binnentreden zonder toestemming van de bewoner redelijkerwijs vereist.















Algemene wet op het binnentreden

§2 BINNENTREDEN IN WONINGEN ZONDER TOESTEMMING VAN DE BEWONER

Art. 6

1. De machtiging is ondertekend en vermeldt:

a. de naam en de hoedanigheid van degene die de machtiging heeft gegeven;

b. de naam of het nummer en de hoedanigheid van degene aan wie de machtiging is gegeven;

c. de wettelijke bepalingen waarop het binnentreden berust en het doel waartoe wordt binnengetreden;

d. de dagtekening.















Algemene wet op het binnentreden

§2 BINNENTREDEN IN WONINGEN ZONDER TOESTEMMING VAN DE BEWONER

Art. 7

1. Tussen middernacht en 6 uur 's morgens kan slechts zonder toestemming van de bewoner worden binnengetreden, voor zover dit dringend noodzakelijk is en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.

2. Bij afwezigheid van de bewoner kan slechts worden binnengetreden, voor zover dit dringend noodzakelijk is en, indien krachtens een machtiging wordt binnengetreden, de machtiging dit uitdrukkelijk bepaalt.















Algemene wet op het binnentreden

§2 BINNENTREDEN IN WONINGEN ZONDER TOESTEMMING VAN DE BEWONER

Art. 10

1. Degene die zonder toestemming van de bewoner in een woning is binnengetreden, maakt op zijn ambtseed of -belofte een schriftelijk verslag op omtrent het binnentreden.















Algemene wet op het binnentreden

§2 BINNENTREDEN IN WONINGEN ZONDER TOESTEMMING VAN DE BEWONER

Art. 11

2. Een afschrift van het verslag wordt uiterlijk op de vierde dag na die waarop in de woning is binnengetreden, aan de bewoner uitgereikt of toegezonden. (...)















Wetboek van strafrecht

TWEEDE BOEK. MISDRIJVEN

Titel V. Misdrijven tegen de openbare orde

Art. 138.

1. Hij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.















Wetboek van strafrecht

TWEEDE BOEK. MISDRIJVEN

Titel V. Misdrijven tegen de openbare orde

Art. 139.

1. Hij die in een voor de openbare dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt, of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.















Wetboek van strafrecht

TWEEDE BOEK. MISDRIJVEN

Titel V. Misdrijven tegen de openbare orde

Art. 141.

1. Zij die openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of geldboete van de vierde categorie.















Wetboek van strafrecht

TWEEDE BOEK. MISDRIJVEN

Titel VIII. Misdrijven tegen het openbaar gezag

Artikel 179.

Hij die door geweld of bedreiging met geweld een ambtenaar dwingt tot het volvoeren van een ambtsverrichting of het nalaten van een rechtmatige ambtsverrichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie.















Wetboek van strafrecht

TWEEDE BOEK. MISDRIJVEN

Titel VIII. Misdrijven tegen het openbaar gezag

Artikel 180.

Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, of tegen personen die hem daarbij krachtens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand verlenen, wordt als schuldig aan wederspannigheid gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.















Wetboek van strafrecht

TWEEDE BOEK. MISDRIJVEN

Titel VIII. Misdrijven tegen het openbaar gezag

Artikel 184.

1) Hij die opzettelijk niet voldoet aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk enige handeling, door een van die ambtenaren ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

2) Met de in het eerste gedeelte van het vorige lid bedoelde ambtenaar wordt gelijkgesteld ieder die, krachtens wettelijk voorschrift, voortdurend of tijdelijk met enige openbare dienst is belast.

3) Met een vordering of handeling als bedoeld in het eerste lid wordt gelijkgesteld een vordering of handeling van de schipper of gezagvoerder van een luchtvaartuig die een bevoegdheid uitoefent of een verplichting vervult, welke hem als zodanig is toegekend of opgelegd bij een bepaling van het Wetboek van Strafvordering. Onder schipper wordt begrepen hij die het hoogste gezag uitoefent op een overeenkomstig artikel 136a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering aangewezen installatie.

4) Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan de gevangenisstraf met een derde worden verhoogd.















Wetboek van strafrecht

TWEEDE BOEK. MISDRIJVEN

Titel VIII. Misdrijven tegen het openbaar gezag

Artikel 185.

Hij die bij een terechtzitting of ter plaatse waar een ambtenaar in het openbaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam is, opschudding veroorzaakt en na het door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel zich niet verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van de tweede categorie.















Wetboek van strafrecht

TWEEDE BOEK. MISDRIJVEN

Titel VIII. Misdrijven tegen het openbaar gezag

Artikel 199.

1) Hij die opzettelijk zegels waarmede voorwerpen door of vanwege het bevoegd openbaar gezag verzegeld zijn, verbreekt, opheft of beschadigt, of de door zodanig zegel bewerkte afsluiting op andere wijze verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.















Wetboek van strafrecht

TWEEDE BOEK. MISDRIJVEN

Titel XXVII. Vernieling of beschadiging

Art. 350.

1. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.















Wetboek van strafrecht

TWEEDE BOEK. MISDRIJVEN

Titel XXVIII. Ambtsmisdrijven

Art. 370.

1. De ambtenaar die, met overschrijding van zijn bevoegdheid of zonder inachtneming van de bij de wet bepaalde vormen, in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, diens ondanks binnentreedt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.















Wetboek van strafrecht

DERDE BOEK. OVERTREDINGEN

Titel II. Overtredingen betreffende de openbare orde

Art. 429sexies.

1. Hij die een door hem wederrechtelijk in gebruik genomen woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan die wederrechtelijke ingebruikname is beëindigd, op vordering van of vanwege de rechthebbende niet aanstonds ontruimt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, vertoevende in een wederrechtelijk in gebruik genomen woning of gebouw, waarvan het gebruik door de rechthebbende niet meer dan twaalf maanden voorafgaande aan die wederrechtelijke ingebruikname is beëindigd, zich op de vordering van of vanwege de rechthebbende niet aanstonds verwijdert.















Wetboek van strafrecht

DERDE BOEK. OVERTREDINGEN

Titel VII. Overtredingen betreffende de veldpolitie

Art. 461.

Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevindt of daar vee laat lopen, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.















Wetboek van strafvordering

EERSTE BOEK. ALGEMENE BEPALINGEN

Titel I. Strafvordering in het algemeen

Eerste afdeling. Inleidende bepaling

Art. 1.

Strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien.















Wetboek van strafvordering

EERSTE BOEK. ALGEMENE BEPALINGEN

Titel I. Strafvordering in het algemeen

Vierde afdeling. Beklag over het niet vervolgen van strafbare feiten

Art. 12.

1. Wordt een strafbaar feit niet vervolgd of de vervolging niet voortgezet, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof, binnen het rechtsgebied waarvan de beslissing tot niet vervolging of niet verdere vervolging is genomen.















Wetboek van strafvordering

EERSTE BOEK. ALGEMENE BEPALINGEN

Titel II. De verdachte

 Art. 27.

1. Als verdachte wordt vóórdat de vervolging is aangevangen, aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit.















Wetboek van strafvordering

EERSTE BOEK. ALGEMENE BEPALINGEN

Titel II. De verdachte

Art. 53.

1. In geval van ontdekking op heter daad is ieder bevoegd de verdachte aan te houden.















Wetboek van strafvordering

EERSTE BOEK. ALGEMENE BEPALINGEN

Titel II. De verdachte

 Art. 54.

1. Ook buiten het geval van ontdekking op heter daad is de officier van justitie bevoegd de verdachte van enig strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, of van het strafbare feit omschreven in artikel 435 onder 4º van het Wetboek van Strafrecht, aan te houden en naar een plaats van verhoor te geleiden; hij kan ook diens aanhouding of voorgeleiding bevelen.

2. Kan het optreden van de officier van justitie niet worden afgewacht, dan komt gelijke bevoegdheid toe aan ieder zijner hulpofficieren. De hulpofficier geeft van de aanhouding onverwijld schriftelijk of mondeling kennis aan de officier van justitie.

3. Kan ook het optreden van een dier hulpofficieren niet worden afgewacht, dan is elke opsporingsambtenaar bevoegd de verdachte aan te houden, onder verplichting zorg te dragen dat hij onverwijld voor de officier van justitie of een van diens hulpofficieren wordt geleid. Op de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, is de tweede zin van het voorgaande lid van toepassing.















Wetboek van strafvordering

EERSTE BOEK. ALGEMENE BEPALINGEN

Titel II. De verdachte

Art. 55a.

2. Indien de officier van justitie aan een opsporingsambtenaar een machtiging heeft verleend ter aanhouding van de verdachte een woning zonder toestemming van de bewoner te doorzoeken, is voor het binnentreden in die woning door de betrokken opsporingsambtenaar geen machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene Wet op het Binnentreden vereist.















Wetboek van strafvordering

EERSTE BOEK. ALGEMENE BEPALINGEN

Titel VI. Betekenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen

 Art. 128.

1. Ontdekking op heter daad heeft plaats, wanneer het strafbare feit ontdekt wordt, terwijl het begaan wordt of terstond nadat het begaan is.

2. Het geval van ontdekking op heter daad wordt niet langer aanwezig geacht dan kort na het feit dier ontdekking.















Wetboek van strafvordering

TWEEDE BOEK. STRAFVORDERING IN EERSTEN AANLEG

Titel I. Het opsporingsonderzoek

Vierde afdeling. Aangiften en klachten

Artikel 161.

Ieder die kennis draagt van een begaan strafbaar feit is bevoegd daarvan aangifte of klachte te doen.















Politiewet

HOOFDSTUK II. TAAK EN SAMENSTELLING VAN DE POLITIE

Art. 2.

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.















Politiewet

HOOFDSTUK III. BEVOEGDHEDEN VAN DE POLITIE

Art. 8.

1. De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening geweld te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik van geweld verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.















Politiewet

HOOFDSTUK X. DE BEHANDELING VAN KLACHTEN

Art. 61.

1. Het regionale college stelt, op voorstel van de korpsbeheerder, met inachtneming van dit hoofdstuk regels vast over de behandeling, het onderzoek en de afdoening van klachten over het optreden van ambtenaren van politie van het regionale politiekorps.















Politiewet

HOOFDSTUK X. DE BEHANDELING VAN KLACHTEN

Art. 64.

1. Een klacht over het optreden van een ambtenaar van politie wordt ingediend bij de burgemeester van de gemeente waar de gedraging waarover wordt geklaagd, heeft plaatsgevonden.















Wet op de rechterlijke organisatie

HOOFDSTUK 4. HET OPENBAAR MINISTERIE

Afdeling 1. Taken en bevoegdheden

Artikel 124

Het openbaar ministerie is belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en met andere bij de wet vastgestelde taken.















Gemeentewet

TITEL III. DE BEVOEGDHEID VAN HET GEMEENTEBESTUUR

Hoofdstuk VIII. Algemene bepalingen

§ 2. Verhouding tot de provincie en het rijk

Artikel 121.

De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn.















Gemeentewet

TITEL III. DE BEVOEGDHEID VAN HET GEMEENTEBESTUUR

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester

Artikel 172.

1) De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde.

2) De burgemeester is bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften die betrekking hebben op de openbare orde, te beletten of te beëindigen. Hij bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie.

3) De burgemeester is bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.















Gemeentewet

TITEL III. DE BEVOEGDHEID VAN HET GEMEENTEBESTUUR

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester

Artikel 174a.

1) De burgemeester kan besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf wordt verstoord.















Gemeentewet

TITEL III. DE BEVOEGDHEID VAN HET GEMEENTEBESTUUR

Hoofdstuk XI. De bevoegdheid van de burgemeester

Artikel 175.

1. In geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen of zware ongevallen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, is de burgemeester bevoegd alle bevelen te geven die hij ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar nodig acht. Daarbij kan van andere dan bij de Grondwet gestelde voorschriften worden afgeweken.















Woningwet

HOOFDSTUK III. BIJZONDERE MAATREGELEN

Afdeling 2. Aanschrijving tot het treffen van voorzieningen en tot het aanbrengen van verbeteringen

art. 14

1. Indien een woning (...) wegens strijd met de (...) voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijk voorzieningen behoeft (...) schrijven burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aan binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.

3. Indien een woning (...) wordt bewoond op een wijze, die niet in overeenstemming is met de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening, schrijven burgemeester en wethouders de hoofdbewoner of elke afzonderlijke bewoner aan binnen een door hen te bepalen termijn de bewoning in overeenstemming met die voorschriften te brengen.

art. 15

1. Indien een woning of woongebouw uit het oogpunt van woongerief niet aan de eisen des tijds voldoet, doch door het aanbrengen van verbeteringen alsnog geheel of ten dele aan die eisen kan worden aangepast, kunnen burgemeester en wethouders degene, die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven verbeteringen aan te brengen.

art. 28

1. Burgemeester en wethouders doen mededeling van een aanschrijving (...) door toezending van een afschrift aan de hoofdbewoner of elke afzonderlijke bewoner van de woning (...)

















Woningwet

HOOFDSTUK III. BIJZONDERE MAATREGELEN

Afdeling 3. Onbewoonbaarverklaring

art. 29

1. Indien een woning (...) ongeschikt is voor bewoning en door het treffen van voorzieningen (...) niet alsnog in bewoonbare staat kan worden gebracht, wordt die woning (...) onbewoonbaar verklaard.















Woningwet

HOOFDSTUK IV. VERGUNNINGEN

Afdeling 2. Woonvergunning

art. 60

1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een bestaand gebouw dan wel een gedeelte van een bestaand gebouw, dat, ofschoon niet ongeschikt voor bewoning, laatstelijk niet of wederrechtelijk als woning (...) werd gebruikt, als woning (...) in gebruik te geven of te nemen.

2. De woonvergunning mag alleen en moet worden geweigerd indien het beoogde gebruik van het gebouw dan wel het gedeelte van het gebouw niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening of in strijd is met het desbetreffende bestemmingsplan.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op het als woning (...) in gebruik geven of nemen van een bestaand gebouw dan wel een gedeelte van een bestaand gebouw, dat, ofschoon ongeschikt voor bewoning, overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften voor bewoning geschikt is gemaakt.















Huisvestingswet

Wij Beatrix bij de Gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! Doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van schaarse woonruimte en met het oog op de doorzichtigheid van de wetgeving wenselijk is nieuwe regelen te stellen met betrekking tot de verdeling van woonruimte en de samenstelling van de woonruimtevoorraad;

(...)















Huisvestingswet

HOOFDSTUK II. DE HUISVESTINGSVERGUNNING

§1. Aanwijzing van vergunningplichtige woonruimte

Art.7

1. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte, (aangewezen overeenkomstig artikel 5,) in gebruik te nemen voor bewoning.















Huisvestingswet

HOOFDSTUK IV. VORDERING EN TOEWIJZING VAN WOONRUIMTE

§1. Vordering

Art. 45

1. De eigenaar van een woonruimte, een gebouw of een gedeelte van een gebouw, met betrekking waartoe toepassing is gegeven aan artikel 40, eerste lid (vordering), is verplicht het gevorderde (...) ter beschikking van burgemeester en wethouders te stellen. Voor zover het gevorderde bestemd is om te worden gebruikt als woonruimte, wordt het (...) leeg aan burgemeester en wethouders ter beschikking gesteld.

2. Het is een ieder verboden de uitvoering van de vordering van een woonruimte, een gebouw of een gedeelte van een gebouw te belemmeren. (...)















Huisvestingswet

HOOFDSTUK X. WIJZIGING VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT

Art. 86 [Bevat toevoeging van art. 429 sexies aan het Wetboek van Strafrecht]















Algemene wet bestuursrecht

HOOFDSTUK 1. INLEIDENDE BEPALINGEN

Titel 1.1 Definities en reikweidte

Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.















Algemene wet bestuursrecht

HOOFDSTUK 1. INLEIDENDE BEPALINGEN

Titel 1.1 Definities en reikweidte

Artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.















Algemene wet bestuursrecht

HOOFDSTUK 5. HANDHAVING

Afdeling 5.3 Bestuursdwang

Artikel 5:21

Onder bestuursdwang wordt verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.















Algemene wet bestuursrecht

HOOFDSTUK 5. HANDHAVING

Afdeling 5.3 Bestuursdwang

Artikel 5:22

De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang bestaat slechts indien zij bij of krachtens de wet is toegekend.















Algemene wet bestuursrecht

HOOFDSTUK 5. HANDHAVING

Afdeling 5.3 Bestuursdwang

Artikel 5:24

1. Een beslissing tot toepassing van bestuursdwang wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking.

2. De beschikking vermeldt welk voorschrift is of wordt overtreden.

3. De bekendmaking geschiedt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan bestuursdwang zal worden toegepast en aan de aanvrager.

4. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen. Het bestuursorgaan omschrijft de te nemen maatregelen.

5. Geen termijn behoeft te worden gegund, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.

6. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat het bestuursorgaan de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt het alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.















Algemene wet bestuursrecht

HOOFDSTUK 6. ALGEMENE BEPALINGEN OVER BEZWAAR EN BEROEP

Afdeling 6.2 Overige algemene bepalingen

Artikel 6:7

De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.















Algemene wet bestuursrecht

HOOFDSTUK 8. BIJZONDERE BEPALINGEN OVER BEROEP BIJ DE RECHTBANK

Titel 8.3. Voorlopige voorziening en onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak

Artikel 8:81

1. Indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Indien bij de rechtbank beroep is ingesteld, kan een verzoek om voorlopige voorziening worden gedaan door een partij in de hoofdzaak.

3. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan een verzoek om voorlopige voorziening worden gedaan door de indiener van het bezwaarschrift, onderscheidenlijk door de indiener van het beroepschrift of door de belanghebbende die geen recht heeft tot het instellen van administratief beroep.

4. De artikelen 6:4, derde lid, 6:5, 6:6, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 zijn van overeenkomstige toepassing. De indiener van het verzoekschrift die bezwaar heeft gemaakt dan wel beroep heeft ingesteld, legt daarbij een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift over.















Burgerlijk Wetboek

BOEK 3. VERMOGENSRECHT IN HET ALGEMEEN

Titel 11. Rechtsvorderingen

Artikel 303.

Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe.















Burgerlijk Wetboek

BOEK 6. ALGEMEEN GEDEELTE VAN HET VERBINTENISSENRECHT

Titel 3. Onrechtmatige daad

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 162.

1) Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.

2) Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.

3) Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.















Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

EERSTE BOEK. VAN DE WIJZE VAN PROCEDEREN VOOR DE KANTON-GERECHTEN, ARRONDISSEMENTS-REGTBANKEN, HOVEN EN DEN HOOGEN RAAD

Eerste titel. Algemene bepalingen

Eerste afdeling. Van exploiten van dagvaarding, aanzegging en beteekening

Art. 4.

De dagvaardingen en alle andere exploiten zullen gedaan worden op de wijze als volgt:

12º. Ten aanzien van hen die verblijven in een gebouwd onroerend goed of gedeelte daarvan, indien het exploit een vordering tot ontruiming daarvan betreft door anderen dan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht, zonder dat de naam en de woonplaats van degenen voor wie het exploit bestemd is, alsmede de persoon aan wie afschrift wordt gelaten, worden vermeld, op de wijze als vermeld in artikel 2, met dien verstande dat voor ,,aan de woonplaats'' in het eerste lid van dat artikel wordt gelezen: ter plaatse, en dat degenen voor wie het exploit bestemd is, daarin en op de envelop waarin een afschrift wordt achtergelaten of ter post bezorgd, worden aangeduid als zij die verblijven in het betreffende onroerend goed of gedeelte daarvan. Voorts wordt een uittreksel van het exploit ten spoedigste bekend gemaakt in een landelijk dagblad of in een dagblad verschijnend in de streek waarin het onroerend goed gelegen is onder vermelding van naam en adres van de deurwaarder of van de advocaat van wie afschrift van het exploit verkregen kan worden.















Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

EERSTE BOEK. VAN DE WIJZE VAN PROCEDEREN VOOR DE KANTON-GERECHTEN, ARRONDISSEMENTS-REGTBANKEN, HOVEN EN DEN HOOGEN RAAD

Derde titel. Van de manier van procederen, bijzonder betrekkelijk tot de arrondissements-regtbanken, de hoven en den hoogen raad, regt doende in eersten aanleg

Achttiende afdeling. Van het kort geding voor den president der arrondissements-regtbank

Art. 289.

1. In alle zaken waarin uit hoofde van onverwijlde spoed, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, kan de vordering worden aangebracht op een terechtzitting, te dien einde door de president te houden op de daartoe door hem te bepalen werkdagen.

2. Bij nog meer spoed vereisende omstandigheden kan de dagvaarding worden bevolen op de dag en het uur, de zondag ingesloten, op mondelinge aanvrage der belanghebbende partij, door de president voor elk geval te bepalen. Hij kan daarbij tevens gelasten dat de terechtzitting te zijnen huize zal worden gehouden.















Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

TWEEDE BOEK. VAN DE GERECHTELIJKE TENUITVOERLEGGING VAN VONNISSEN, BESCHIKKINGEN EN AUTHENTIEKE AKTEN

Eerste titel. Algemene regels

Art. 430.

1. De grossen van in Nederland gewezen vonnissen, van beschikkingen van de Nederlandse rechter en van in Nederland verleden authentieke akten alsmede van andere bij de wet als executoriale titel aangewezen stukken kunnen in geheel Nederland worden ten uitvoer gelegd.

2. Zij moeten aan het hoofd voeren de woorden: In naam des Konings.

3. Zij kunnen niet worden ten uitvoer gelegd dan na betekening aan de partij tegen wie de executie zich zal richten.















Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

TWEEDE BOEK. VAN DE GERECHTELIJKE TENUITVOERLEGGING VAN VONNISSEN, BESCHIKKINGEN EN AUTHENTIEKE AKTEN

Eerste titel. Algemene regels

Art. 438.

1. Geschillen die in verband met een executie rijzen, worden gebracht voor de rechtbank die naar de gewone regels bevoegd zou zijn, of in welker rechtsgebied de inbeslagneming plaatsvindt, zich een of meer van de betrokken zaken bevinden of de executie zal geschieden.

2. Tot het verkrijgen van een voorziening bij voorraad kan het geschil ook worden gebracht in kort geding voor de president van de volgens het eerste lid bevoegde rechtbank. Onverminderd zijn overige bevoegdheden kan de president desgevorderd de executie schorsen voor een bepaalde tijd of totdat op het geschil zal zijn beslist, dan wel bepalen dat de executie slechts tegen zekerheidstelling mag plaatsvinden of worden voortgezet. Hij kan beslagen, al of niet tegen zekerheidstelling, opheffen. Hij kan gedurende de executie herstel bevelen van verzuimde formaliteiten met bepaling welke op het verzuim gevolgde formaliteiten opnieuw moeten worden verricht en te wiens laste de kosten daarvan zullen komen. Hij kan bepalen dat een in het geding geroepen derde de voortzetting van de executie moet gedogen dan wel zijn medewerking daaraan moet verlenen, al dan niet tegen zekerheidstelling door de executant.















Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

TWEEDE BOEK. VAN DE GERECHTELIJKE TENUITVOERLEGGING VAN VONNISSEN, BESCHIKKINGEN EN AUTHENTIEKE AKTEN

Tweede titel. Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging op goederen die geen registergoederen zijn

Eerste afdeling. Van executoriaal beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn

Art. 444.

1. De deurwaarder heeft ter inbeslagneming toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.

2. Indien de deuren gesloten zijn, of de opening daarvan geweigerd wordt, gelijk mede indien

geweigerd wordt enige kamer of stuk huisraad te openen, alsmede wanneer bij niet-tegenwoordigheid van de geëxecuteerde er niemand gevonden wordt om hem te vertegenwoordigen, zal de deurwaarder zich vervoegen bij de burgemeester der gemeente in wiens tegenwoordigheid de opening van de deuren en van het huisraad zal worden gedaan voor zover dat redelijkerwijs nodig is. De burgemeester kan zich doen vertegenwoordigen door een ambtenaar van politie die tevens hulpofficier van justitie is. Van de tegenwoordigheid van deze ambtenaar en van hetgeen in zijn bijzijn, uit kracht van dit en de volgende drie artikelen, is verricht, zal melding gemaakt worden in het proces-verbaal van beslag.

3. Bij het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner zijn de artikelen 10 en 11 van de Algemene wet op het binnentreden (Stb. 1994, 572) op het proces-verbaal van beslag van overeenkomstige toepassing. Deze artikelen gelden eveneens in het geval dat na het binnentreden geen beslag wordt gelegd.















Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

TWEEDE BOEK. VAN DE GERECHTELIJKE TENUITVOERLEGGING VAN VONNISSEN, BESCHIKKINGEN EN AUTHENTIEKE AKTEN

Derde titel. Van de gerechtelijke tenuitvoerlegging op onroerende zaken

Zesde afdeling. Van gedwongen ontruiming

Art. 555.

De gedwongen ontruiming van onroerende zaken moet worden voorafgegaan door een exploit van een deurwaarder, houdende bevel om binnen drie dagen aan de executoriale titel te voldoen. De artikelen 502 en 503 zijn van overeenkomstige toepassing.

Art. 556.

1. De gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder.

2. Deze kan zich doen bijstaan door een of twee getuigen, wier naam en woonplaats hij in dat geval in zijn proces-verbaal zal vermelden en die dit stuk mede zullen tekenen.

Art. 557.

1. Indien de deuren gesloten zijn, of de opening geweigerd wordt, gelijk mede indien geweigerd wordt enige kamer te openen, is artikel 444 van overeenkomstige toepassing.

2. Indien de te ontruimen onroerende zaak bestaat uit meerdere woongedeelten, kan in afwijking van artikel 5, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden (Stb. 1994, 572) in de machtiging worden bepaald dat zij geldt voor alle in de te ontruimen onroerende zaak aanwezige woongedeelten.

Art. 557a.

1. Tenzij zulks onverenigbaar zou zijn met het belang van degene op wiens vordering het bevel wordt gedaan, kan de rechter bepalen dat een vonnis, waarbij aan anderen dan aan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht de ontruiming wordt bevolen van een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, binnen een door hem te bepalen termijn niet ten uitvoer kan worden gelegd, onverminderd het recht van de eerstgenoemde op vergoeding van alle geleden of te lijden schade.

2. Tenzij zulks onverenigbaar zou zijn met het belang van degene op wiens vordering het bevel tot ontruiming wordt gedaan, bepaalt de rechter dat dit bevel niet ten uitvoer kan worden gelegd, totdat hij omtrent het al dan niet bepalen van een termijn als in het vorige lid bedoeld heeft beslist, na terzake inlichtingen te hebben ingewonnen bij burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de onroerende zaak zich bevindt. Hiertoe beveelt hij burgemeester en wethouders binnen een door hem te bepalen termijn hun schriftelijk bericht ter griffie in te leveren of op een door hem te bepalen terechtzitting mondeling verslag te doen of door een door hen aangewezen ambtenaar te laten doen.

3. Desgevorderd kan de rechter bepalen dat een vonnis, waarbij aan anderen dan aan gebruikers of gewezen gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht de ontruiming wordt bevolen van een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, tot een jaar na de dag waarop het vonnis wordt uitgesproken dan wel bekrachtigd, of, indien de rechter een termijn bepaalt als bedoeld in het eerste lid, tot een jaar na de dag waarop die datum verstrijkt, ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die ten tijde van de tenuitvoerlegging zich daar bevindt of daar binnentreedt en telkens wanneer dat zich voordoet.

Art. 558.

Is de executant overeenkomstig artikel 299 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek gemachtigd ten aanzien van een onroerende zaak zelf datgene te verrichten waartoe nakoming van een jegens hem bestaande verplichting zou hebben geleid, en is daartoe gehele of gedeeltelijke al of niet tijdelijke ontruiming nodig, dan is het bepaalde in deze afdeling mede van toepassing.















Wet Nationale Ombudsman

HOOFDSTUK II. HET ONDERZOEK

Artikel 12

1. Een ieder heeft het recht de ombudsman schriftelijk te verzoeken een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens een natuurlijk persoon of rechtspersoon heeft gedragen, tenzij sedertdien meer dan een jaar is verstreken. Indien binnen een jaar nadat de gedraging plaatsvond die gedraging aan het oordeel van een rechterlijke instantie, dan wel ingevolge een wettelijk geregelde administratiefrechtelijke voorziening aan het oordeel van een andere instantie is onderworpen, eindigt de termijn een jaar na de datum waarop in die procedure een uitspraak is gedaan waartegen geen beroep meer openstaat, of de procedure op een andere wijze is geëindigd.

2. De verzoeker dient alvorens het verzoek te doen, over de gedraging een klacht in bij het betrokken bestuursorgaan, tenzij dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. Indien de klacht binnen een jaar nadat de gedraging plaatsvond is ingediend, eindigt de in het eerste lid bedoelde termijn een jaar na de kennisgeving door het bestuursorgaan van de bevindingen van het onderzoek.